Dakdeel

Laatste update: 4 november 2006

Duurzaam renoveren

*

Het Polderhuis werd rond 1865 gebouwd door de timmerman Jan van Bemmel in wat toen Nieuweramstel heette. Om de kosten te drukken, gebruikte Van Bemmel geen spaander hout en geen brok steen meer dan nodig was. Maar het materiaal dát hij gebruikte was goed, bleek tijdens de renovatie van het Polderhuis, die tussen 2002 en 2006 plaatsvond. Het is één van de redenen waarom dit huisje nog steeds overeind staat.

Toen ik in 2002 begon met de renovatie van het Polderhuis, kon ik er alleen maar van dromen dat die renovatie ook nog eens bijzonder duurzaam zou kunnen zijn. En dan niet alleen duurzaam in de tijd, maar ook duurzaam in termen van het effect van die renovatie op mijn wijde ecologische omgeving. ‘Dát zou vast weleens veel duurder zijn,’ dacht ik, met een tophypotheek en een enorme renovatie voor de boeg.

Maar dankzij een uitermate vruchtbaar contact met architect Martin Breidenbach uit Viersen, kan ik nu –met de renovatie afgerond– gewoon stellen dat de renovatie van het Polderhuis niet alleen mooi en succesvol is, maar dat die ook in hoge mate een duurzaam karakter heeft gekregen. Op deze pagina wil ik een aantal aspecten van die duurzaamheid belichten. Als inspiratiebron voor anderen.


1. Het dak: hergebruik, houtgebruik en warmte-isolatie met Isofloc

De ingewikkelde kap van het Polderhuis, met een knik aan de lange zijden (Masarde), en twee schuine vlakken aan de korte (wolfseinden), is in 2002 vrijwel helemaal vervangen. Alleen de verticale gevel aan de oostkant is nog origineel.

We hebben nog overwogen of het dak hersteld kon worden. Dat zou waarschijnlijk hetzelfde hebben gekost, en een container sloophout hebben gescheeld. En ondanks jarenlange lekkage was de basale constructie nog steeds redelijk.

Uiteindelijk heb ik daar niet voor gekozen, omdat het de gebruikswaarde van de zolder enorm zou hebben verminderd. De hanebalken zaten op 1 meter 80, en ik ben zelf 1.84m. Het zou bovendien een heel gedoe zijn om de zolder én goed te isoleren én goed vochtdoorlatend te houden.

Voor de renovatie van de kap ben ik in zee gegaan met een netwerk van Duitse vaklieden, onder de deskundige bouwleiding van architect Martin Breidenbach. Dat is één van mijn gelukkigste keuzes ooit geweest. Zonder deze club – die ook de rest van de renovatie deed– had ik nimmer zoveel lol gehad in dit langjarige project én was het lang niet zo goed geworden.

Dat bleek al bij de kap. Nederlandse aannemers, die ik om een offerte vroeg, gingen er allemaal voetstoots vanuit dat de mooi afgewerkte dakgoten aan het dak vastzaten, en dus bij sloop ook vervangen zouden moeten worden. Een dure grap, en zonde van het materiaal en het werk. Breidenbach en Zimmermeister Alfred Vinken gingen gewoon een dag goed kijken en meten, en kwamen tot een andere conclusie. Die dakgoten hingen aan de muur.

Dit koppel kwam ook met het idee om het dak helemaal op maat voor te fabriceren in de werkplaats in Viersen, en dan in delen naar Amsterdam te verschepen. Door die truuk kon mijn hele dak in een week vervangen worden, waar Nederlandse aannemers van zeker acht weken bouwplaatskosten uitgingen.

Het dak zelf is behalve de pannen volledig van herbruikbaar of hergebruikt materiaal. Tussen de houtconstructie zit 16 centimeter isolatie van Isifloc, flokken van cellulose, afkomstig van restanten uit de drukwerkindustrie. Die isolatie is zo goed, dat een verwarming op zolder niet meer nodig is. Mijn computer produceert al voldoende warmte, om het ook in de winter op zolder te kunnen uithouden.

 De dakconstructie is dampdoorlatend: over de hele oppervlakte kan vocht van binnen naar buiten diffunderen.

 Het hout is volledig afkomstig uit Europa, of van hergebruikt hout: dennenhout voor de constructie, mdf voor de eerste afdeklaag en populierenhout voor de binnenbekleding.


2. De binnenmuren: warmtemuren van leem voor klimaatbeheersing en vochtregulatie; warmte-isolatie met riet

Fact-sheet

Het Polderhuis is ooit extreem licht gebouwd, en was waarschijnlijk mede daarom ook niet gefundeerd. De enkele muren zijn halfsteens, aan elkaar gemetseld met kalkcement: heel dun dus. De muren staan bovendien vrijwel direct op het grondwater. Daardoor zuigen die muren continu water van beneden op, dat zeker anderhalve meter omhoogkruipt. Vocht is een groot probleem, niet alleen in dit huis, maar in vrijwel ieder huis. Mensen produceren zelf ook een heleboel vocht, dat op een of andere manier het huis weer uit moet.

Bij de renovatie was de afwerking aan de binnenkant daarom een cruciale kwestie: hoe zorg je voor een goede warmte-isolatie, zonder je vochtproblemen in het huis, en tegen de binnenkant van de buitenmuur te verergeren? En daarbovenop: hoe zorg je ervoor dat je niet enorm veel ruimte verliest door hele dikke lagen isolatie en een spouw, in een toch al kleine woning?

Warmte, vochtbeheersing en ruimte moesten daarom integraal worden aangepakt. In het Polderhuis is daarom een speciale oplossing gekozen. De verwarming zit in een lemen muur, en die verwarming zorgt er tegelijk voor dat er geen condensvorming kan plaatsvinden aan de binnenkant van de buitenmuur. Op die manier wordt voorkomen dat het houtwerk (m.n. de draagbalken) kan gaan rotten door vocht: op termijn van groot belang voor behoud van dit huis.

Deze wandverwarming met lemen muren heeft allerlei voordelen. Allereerst geeft het stralingswarmte. Normale radiatoren verspreiden de warmte door circulatie, door verwarming van de lucht, die zich vervolgens verplaatst. Stralingswarmte werkt anders: je warmt direct jezelf op. Dat is een heel ander soort warmte, verglijkbaar met de warmte van een felle zon op een winterdag. De kamertemperatuur kan daarom een paar graden lager zijn dan normaal. In het Polderhuis is die standaard zo’n 18 graden.

Een bijkomend voordeel van warmtemuren is, dat je ketel het water maar heel weinig hoeft te verwarmen, tot zo’n 25 à 30 graden. Dat kost relatief veel minder energie, dan water verwarmen tot de 60 of 70 graden die naar radiatoren gaat. Lage temperatuursystemen als dit zijn daarom energiezuiniger. En dat blijkt ook in de praktijk: mijn gasrekening van voor de renovatie is hoger dan die daarna, terwijl mijn comfort enorm is toegenomen: in het stookseizoen 2008/2009 was het gasverbruik voor verwarming 950 m3, en dat gaat nog verder omlaag naar <800 m3, door extra maatregelen.

De isolatie van de muren is naar huidige maatstaven eigenlijk heel gering: er zit een laag van 2,5 cm riet in de muren. Veel te weinig voor huidige standaarden. Dat is bewust gedaan: hierdoor lekt een deel van de warmte weg naar de binnenkant van de buitenmuren, die op die manier boven het condenspunt worden gehouden. Daarmee kiezen we bewust voor een klein energieverlies, waarmee we niet alleen flinke ruimtewinst in het huis boeken, maar ook een hele goede oplossing hebben voor de vochtproblematiek. Hier hebben we dus duidelijk een afweging gemaakt op verschillende aspecten van duurzaamheid én bruikbaarheid: behoud van de constructie en de ruimte boven maximale energiebesparing. In een nieuwbouwhuis zou ik het helemaal anders doen.

Deze muuropbouw met leem en riet heeft nog een laatste grote voordeel: de hele muur is er compleet damp-open door. Leem trekt vocht aan, dat vervolgens via diffusie door het riet en de buitenmuur aan de buitenlucht wordt afgegeven. Hetzelfde geldt voor geurtjes. Het is één van de redenen dat ik ook geen afzuigkap in mijn keuken heb.

Deze benadering van warntetemperatie wordt ook gevolgd in het nieuwe concept WarmBouwen. In dat concept wordt ook een opslag-bron voor warmte gekoppeld aan het systeem. Dat hoop ik ook nog een keer te doen.

Het riet is organisch materiaal, en levert dus later geen afvalprobleem op. Het leem kan volledig worden hergebruikt: het is gewoon een soort gedroogde klei. Ook de ‘verf’ op de muren is van leem, aangevuld met titaniumdioxide en melkwei (Claytec). Stoffen die volstrekt onschadelijk zijn, en bij hergebruik gewoon door het leem kunnen worden gemengd.

Overigens meet ik de komende jaren de energieprestatie van mijn huis door. Voordat de lemen muren zijn gemaakt heb ik op allerlei plekken thermokoppels geplaatst, die via een datalogger (Rense Instruments) aangesloten zijn op een computer. Die registreert elk half uur de temperatuur op verschillende plekken in de muur, aan de buitenzijde en binnen. Op die manier willen we een gegevensreeks verzamelen waarmee we het energieverlies van deze muuropbouw in de praktijk kunnen vaststellen. Ook het vochtgehalte in de muren kan geregistreerd worden, door strategisch geplaatste peilbuisjes, waar een sensor in gestopt kan worden.

Het Polderhuis gebruikte in het stookseizoen 2008/2009 in totaal 1084 m3 gas. Daarvan is 130 m3 warm-watervraag. Kritische doorlichting in 2009 gaf aan dat de gaskachel (die zelden wordt gebruikt) nog eens ca 150 m3 onnodig verbruikt (waakvlam en lekkage). Voor de basale verwarming van het Polderhuis is dus ca 800 m3 nodig, en dat wordt wellicht nog wat minder omdat in mei 2009 de zolder nog verdergaand is geïsoleerd.

Ter vergelijking: een gemiddeld Nederlands huishouden gebruikt 1600 m3 gas op jaarbasis. Een vrijstaand huis als het Polderhuis wordt geacht nog meer te gebruiken.

Ik verwacht dus in stookseizoen 2009/2010 50% van de energie te gebruiken die gemiddeld in Nederland voor dit type woning wordt gebruikt.


3. De plafonds: vlas voor geluidsisolatie

In de plafonds zit 2 cm vlas verwerkt, dat het geluid tussen de verdiepingen dempt. Vlas is een organisch materiaal, dat volledig biologisch afbreekbaar is. 


4. De ramen: dubbelglas Vrøgum voorzetramen van dennenhout

Het Polderhuis heeft van oudsher schuiframen van enkelglas. Ik heb het er 16 jaar mee gedaan, maar koud en tochtig was het wel. Omdat het Polderhuis een gemeentemonument is, kun je die ramen niet zomaar vervangen door moderne exemplaren. En dat wilde ik ook niet, want het ziet er zo prachtig uit van de buitenkant.

Dubbelglas in die ramen was geen optie. Daarvoor waren ze te dun, en bovendien zou je nog steeds een slechte afdichting hebben tussen de ramen en de sponningen. En Monumentenzorg accepteert het ook niet, omdat je het verschil tussen enkel en dubbelglas gewoon heel erg ziet.

Het probleem werd opgelost door een compleet nieuw kozijn met ramen van Verbuntssicherheitsglas (inbraakwerend dubbelglas) aan de binnenkant tegen de oude kozijnen aan te monteren. Van de buitenkant zie je daar weinig van, maar je vervangt in feite de isolerende functie van de oude ramen. Die dienen nu alleen nog als spatlappen tegen de regen. Dat is wel nodig ook, want de Vrøgum-vensters zijn ‘verkeerdom’ gemonteerd: de buitenkant is naar de binnenkant gekeerd. Daardoor loopt zonder schuiframen het regenwater dat van buiten tegen de nieuwe vensters spat, naar binnen, over mijn lemen muren.

De vensters zijn afkomstig van een sympathieke venster-fabrikant in Denemarken: Vrøgum, en zijn gemaakt van grenen uit duurzaam beheerde Skandinavische productiebossen.


5. De vloer: Europees eikenhout en Isofloc

De fundering van het Polderhuis was een spectaculaire operatie, en komt de duurzaamheid van het pand zeker ten goede. Maar qua materialen valt er niet veel bijzonders te melden: grout en beton. De vloer die er bovenop is gelegd is wél weer aardig: een eikenhoutenvloer van Europees eiken, met daaronder een laag van 10 cm Isofloc, hetzelfde gerecyclede isolatiespul als ook in het dak zit.

Het eiken is afgewerkt met olie van niet-fossiele, organische oorsprong.

 


6. Wat er níet zo duurzaam is: zinken dakgoten, koperen leidingenwerk etc.

Natuurlijk zijn er ook tal van zaken in de renovatie van het Polderhuis, die ik nog beter had kunnen doen. De zinken dakgoten, hoe goed gemaakt ook, zorgen voor een permanent stroompje van vervuiling, doordat het zink langzaam oplost, en in het riool terecht komt. Er zijn vast betere technieken, maar het dak moest af in 2002!

Ook voor het leidingwerk heb ik gekozen voor klassiek koper, en niet voor de nieuwe technieken met flexibele plastic buizen. Ik weet niet wat uiteindelijk milieutechnisch het beste is, maar ik vond het gewoon te leuk om zelf te kunnen loodgieteren.

 Ook de gebruikte verf aan de buitenzijde is niet speciaal om zijn milieukwaliteiten uitgekozen. Hier heb ik voor zekerheid gekozen, en voor verven die ik zelf goed kon verwerken.


7. En wat kost dat nou, duurzaam renoveren?

Een fijne Hollandse vraag. In het algemeen ben je qua directe kosten duurder uit, is mijn ervaring. Het is zot, maar waar: de meest eenvoudige materialen als leem en vlas, zijn duurder dan standaard stucwerk en glaswol-isolatie. Met een goede, betrokken aannemer kun je wellicht op directe kosten besparen, omdat ze slimmer omgaan met materiaalgebruik, maar grosso modo is het gewoon duurder dan 'standaard'.

Daar staat echter heel veel tegenover: een zeer hoge kwaliteit van het woonklimaat, een relatief lage energierekening, een klassiek monument met het comfort van vandaag, en een bouwproces dat vanwege het type aannemer ook een stuk prettiger is. En op de lange termijn: veel minder afval.